Extreem weer in onze regio, zoals de buitengewoon zachte herfst van 2006, winter en lente 2007, of april 2007, roept al snel de vraag op of het een teken is van een klimaatverandering. Op basis van deze extreme gebeurtenissen is daar natuurlijk niets over te zeggen. We zouden daarvoor de waarschijnlijkheid of kans moeten kennen van een dergelijke gebeurtenis en moeten vaststellen of deze kans aan het veranderen is. Aan de hand van de relatief korte meetreeksen die we tot onze beschikking hebben, zijn deze veranderende kansen niet of nauwelijks te bepalen.
Figuur: De afwijking van de apriltemperatuur 2007 ten opzichte van 1961-1990 in Europa (kleurenschaal). De zwarte lijnen geven aan hoe onwaarschijnlijk deze temperatuur zou zijn als het klimaat niet opwarmde; 1.0 betekent dat het gemiddeld in 1 van de 6 jaren warmer is dan dit jaar; bij 2.0 is dit eens in de 40 jaar. Binnen de lijn met 3.0 zou het eens de 700 jaar warmer zijn, en bij 4.0 is dit 30000 jaar. Bron: ECMWF/MeteoSwiss
Toename extremen?
Catastrofale extremen, zoals de orkaan Katrina met een verwoestende uitwerking op New Orleans eind augustus 2005, komen zo weinig voor dat het heel lastig is om daar op een betrouwbare manier trends in vast te stellen.
Bovendien spelen ook andere factoren daarin een rol:
gebrek aan systematische waarnemingen
beschikbare gegevens hebben vaak betrekking op schade en menselijk leed
sterke invloed van de toegenomen menselijke activiteit
meer en betere gegevens over recente rampen dan over rampen uit het verleden.
Een toename van gemelde weersextremen betekent dus niet automatisch dat ze tegenwoordig ook vaker voorkomen.
Toename neerslagsommen Afwijkingen in temperatuur en neerslag horen bij de grillen van de natuur. Door het versterkte broeikaseffect veranderen wel de kansen op extreme temperaturen en – neerslaghoeveelheden. Het broeikaseffect is nu echter nog klein: de opwarming in de 20e eeuw was ongeveer 0,6 graad wereldwijd, en in De Bilt 1 graad. In de laatste honderd jaar is de opwarming wereldwijd ruim 0,7 graad. Bij zo’n relatief zwak effect is een duidelijk verband met extreem grote neerslaghoeveelheden niet te leggen, ook al was er in de 20e eeuw een lichte toename van zware neerslag waarneembaar. Wel kan de waargenomen toename van neerslagsommen in grote delen van de wereld in de laatste honderd jaar worden toegeschreven aan de opgetreden temperatuurstijging.
De herfst van 2006
Een voorbeeld van een behoorlijk extreme situatie is de herfst van 2006, die 1,6 graad warmer was dan de recordwarme herfst van 2005. In een onveranderd klimaat zou een herfst als die van 2006 in een groot deel van Europa minder dan eens in de 10.000 jaar voorkomen. De uitzonderlijke temperatuurafwijking van deze herfst is te verklaren door een aantal factoren:
de opwarming van de aarde, en dus van Europa,
het zeewater was begin september nog warmer dan normaal, dit als gevolg van de warme julimaand.
het ongewone weer, want bijna de hele herfst voerde een sterke zuidenwind warme lucht aan
Toch was de herfst van 2006 nog steeds zeldzaam, want naar schatting komt dit maar eens per 200 tot 500 jaar voor. Er wordt verder onderzoek gedaan naar de oorzaken van de uitzonderlijk hoge temperaturen, en of deze gerelateerd zijn aan de mondiale opwarming of inderdaad toch toeval waren. De laatste jaren komen warme extremen opvallend vaak voor. Dit past wel goed in het beeld van klimaatverandering.
April 2007
April 2007 heeft meerdere records gebroken, want het was de warmste, droogste, en zonnigste aprilmaand ooit. Wat betreft warmte en droogte past de maand niet echt binnen de grillen van april in het verleden. De opwarming van de aarde heeft de hoge temperatuur minder onwaarschijnlijk gemaakt, maar de voornaamste oorzaak is een hogedrukgebied dat en hele maand boven Nederland lag en voor droog en zonnig weer zorgde. Dit patroon wordt door de huidige klimaatmodellen niet voorspeld en is dus voor zo ver we nu weten toeval.
De rol van de windrichting was anders dan normaal. In april voert meestal zuidenwind warme lucht aan, maar deze maand was de wind overwegend noord- tot noordoost, en voerde nog steeds warme lucht naar Nederland. Samen met de overvloedige zonneschijn, aan de kust de nog warme Noordzee en de wereldwijde opwarming leidde dit tot de recordhoge temperatuur.
April 1893 gaf een soortgelijk patroon te zien, met droog en zonnig weer, maar het was toen niet zo warm. Dit weerpatroon komt ook niet overeen met wat we verwachten in een warmer klimaat, hoewel die voorspellingen nog vrij onzeker zijn. Klimaatmodellen voorspellen noch de sterke opwarming die we tot nu toe gezien hebben, noch uitschieters zoals deze maand.
Figuur: Verwachte verandering van drukpatronen in een warmer klimaat in het ESSENCE project vergeleken met de waarnemingen van april 2007.