Zoek >>
   Home > Bespreking boek Marcel Crok > Samenvatting


Achtergrondinformatie bij De Staat van het Klimaat 2010, hoofdstuk 2: Het Klimaatdebat
 
PDF-versie 'Staat van het Klimaatdebat'
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
De Staat van het Klimaatdebat
5 april 2011
 
 
Inleiding
Het klimaatdebat zoals zich dat de laatste jaren manifesteert, maakt duidelijk dat klimaatwetenschap en klimaatbeleid in een nieuw tijdperk opereren; een tijdperk dat gekenmerkt wordt door een hoge mate van politisering en een zeer dynamische interactie tussen wetenschap en publiek debat. Deze ontwikkeling stelt steeds hogere eisen aan de wijze waarop de resultaten uit de klimaatwetenschap worden beoordeeld en samengevat voor beleidsmakers. Ook is het van belang om systematischer dan tot nu toe de argumenten van ‘klimaatsceptici’ te onderzoeken en beoordelen op hun houdbaarheid. Het Platform Communication on Climate Change (PCCC) krijgt regelmatig verzoeken van beleidsmakers, politici en andere professionals om wetenschappelijke duiding te geven aan berichten over klimaat die met regelmaat in de media en in de blogosfeer verschijnen. Maar ook stellingnames in artikelen in de wetenschappelijke literatuur vergen soms uitleg, zeker als het om afwijkende resultaten gaat.

Wetenschapsjournalist Marcel Crok bracht in november 2010 het boek ‘De staat van het klimaat – een koele blik op een verhit debat’ uit. Het is een kritisch verhaal over het functioneren van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) en de stand van de kennis van het klimaatsysteem. De auteur heeft de kritiek op de bevindingen in het klimaatonderzoek zoals verwoord in de wereldwijde blogosfeer en in wetenschappelijke publicaties geïnventariseerd. Hieronder treft u de visie aan van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) op die kritiek. Deze tekst is opgesteld door Leo Meyer en Bart Strengers van het PBL, die hiervoor deskundigen hebben geraadpleegd van het ECN (Bart Verheggen) en het KNMI (Rob van Dorland, Bram Bregman, Geert Jan van Oldenborgh en Albert Klein Tank).

Het klimaatbeleid is grofweg gebaseerd op zes wetenschappelijk onderbouwde pijlers:
  1. De laatste 100 jaar is de gemiddelde temperatuur op aarde met bijna 0.8 0C gestegen. 
  2. De CO2-concentratie is sinds het industriële tijdperk met bijna 40 % gestegen ten gevolge van de uitstoot van fossiele brandstoffen en ontbossing.
  3. CO2 heeft een opwarmend effect op de atmosfeer.
  4. De waargenomen opwarming kunnen we alleen afdoende verklaren uit de toename van de CO2-concentratie en andere broeikasgassen.
  5. De temperatuurstijging zet door in de toekomst wat leidt tot schadelijke gevolgen.
  6. De belangrijkste remedie is de terugdringing van de uitstoot van broeikasgassen en daarnaast is aanpassing aan klimaatverandering onvermijdelijk.
Het IPCC evalueert deze inzichten periodiek. Het klimaatdebat spitst zich vooral toe op de eerste vier pijlers van het klimaatbeleid. Kort samengevat is de kritiek:
  • De geobserveerde toename in de wereldtemperatuur wordt overschat; 
  • Het opwarmende effect van CO2 wordt overschat;
  • Het IPCC heeft gefaald als kennisbasis voor klimaatbeleid.
Deze drie kwesties zijn het belangrijkste scharnierpunt van de klimaatdiscussie.
Immers, als men de IPCC- boodschappen van temperatuurstijging en de menselijke invloed accepteert, dan accepteert men ook makkelijker dat er klimaatbeleid nodig is. Als men die boodschappen in twijfel trekt of afwijst, of de opwarming verklaart uit natuurlijke oorzaken, dan hoeven de broeikasgassen ook niet aangepakt te worden.
 
"De geobserveerde toename in de wereldtemperatuur wordt overschat"

Het IPCC meldt dat de aarde gemiddeld genomen bijna 0,8 graden is opgewarmd sinds het pre-industriële tijdperk. Die uitspraak is gebaseerd op een grote hoeveelheid temperatuurmetingen van weerstations in grote delen van de wereld. IPCC geeft ook aan welke opwarming per continent heeft plaats gevonden.
 
 
Een bekende vraag is of, en zo ja, in hoeverre de temperatuurmetingen in het veld beïnvloed worden door de nabijgelegen bewoonde omgeving. Het IPCC laat op basis van veel studies zien dat het effect hiervan op de gemiddelde wereldtemperatuur slechts enkele honderdsten graden Celsius is. Lokaal kan dit meer zijn.

Critici menen dat temperatuurmetingen zodanig verstoord worden door de omgeving, dat de waargenomen wereldwijde opwarming sinds 1970 voor een belangrijke deel is toe te schrijven aan de groeiende stedelijke en industriële gebieden. Marcel Crok stelt zelfs dat dit meer dan helft zou kunnen zijn. Hij lijkt te bedoelen: opwarming boven land (slechts een derde van het aardoppervlak) en baseert dat op vier wetenschappelijke artikelen uit 2004, 2006 en 2007 (Laat, de en Maurelis (2004), Laat, de en Maurelis (2006), McKitrick en Michaels (2004), Mckitrick en Michaels (2007)) die een verband laten zien tussen de gemeten temperatuurtrend en de groei van stedelijke gebieden.

In het laatste IPCC- rapport werden de resultaten van die twee studies als ‘niet statistisch significant’ beoordeeld, echter zonder die uitspraak goed te onderbouwen in het rapport. Dat had het IPCC dus zorgvuldiger moeten doen. Los daarvan zijn er vele (recentere) studies (bijvoorbeeld Gartland, 2008, Parker, 2010 en Schmidt, 2009) die melden dat het opwarmende effect van steden te gering is om de schatting van gemiddeld bijna 0,8 graden temperatuurstijging op aarde (land én oceaan samen) sinds de laatste 100 jaar bij te stellen. Bovendien blijkt de wereldwijde opwarming niet alleen uit de thermometers in het veld. Ook de metingen van satellieten, de geconstateerde stijging van de zeespiegel en het afsmelten van landijs en gletsjers wijzen op een opwarming van een vergelijkbare orde van grootte.

Ook wordt door critici gesteld, dat goede documentatie en kwaliteitscontroles van temperatuurmetingen en de volledigheid van meetreeksen in veel ontwikkelingslanden ontbreken, terwijl het IPCC wel opwarming op de continenten Zuid- Amerika en Afrika rapporteert. Zo verwijst de Canadese wiskundige McIntyre in zijn weblog naar een klein aantal (10) Afrikaanse landelijke meetstations, die geen duidelijke opwarmende trend laten zien. Het IPCC rapporteert echter in 2007 voor Afrika een temperatuurstijging van bijna 1 graad in de periode 1950 -2003. Hoewel die uitkomst is gebaseerd op data van honderden meetstations, ontbreekt in het IPCC rapport een gedegen onderbouwing van die graad opwarming in de onderliggende hoofdstukken. Ook is deze uitkomst niet te traceren in het door IPCC bijgeleverde aanvullend materiaal en literatuurreferenties. Het IPCC is hier dus niet zorgvuldig geweest en zal in het volgende rapport meer controleerbaar moeten rapporteren.

Een andere verklaring voor mogelijk versnelde opwarming van stedelijke gebieden, is de regionale afname van koelende aerosolen. Sinds het laatste IPCC-rapport zijn vele publicaties over dit onderwerp verschenen. Het wetenschappelijke debat hierover is dus in volle gang en zal ongetwijfeld ter sprake komen in het komende IPCC-rapport.

“Het opwarmende effect van CO2 wordt overschat”

Er kleven veel onzekerheden aan de schatting van de temperatuurstijging die het gevolg zou zijn van een verdubbeling van de concentratie CO2 in de atmosfeer. Dit is de zogenoemde ‘klimaatgevoeligheid’. De opvatting, zoals verwoord door het IPCC, is dat een verdubbeling van de CO2 concentratie waarschijnlijk leidt tot een wereldwijde temperatuurstijging van 2 tot 4,5 graden Celsius. De beste schatting hiervan is 3 graden.

CO2 heeft een direct opwarmend effect als broeikasgas, maar daarbij komen vele processen in de atmosfeer die het opwarmende effect versterken ( ‘positieve terugkoppelingen’) of juist verzwakken (‘negatieve terugkoppelingen’). Een hogere temperatuur leidt bijvoorbeeld tot meer waterdamp in de atmosfeer. Waterdamp is zelf ook een broeikasgas en versterkt het effect van meer CO2: een positieve terugkoppeling. Tegelijkertijd wordt door de extra verdamping warmte ontrokken aan de omgeving dat leidt tot afkoeling aan het oppervlak. De waterdamp neemt die opgenomen warmte mee, stijgt op en condenseert op grotere hoogte. Bij condensatie komt die opgenomen warmte weer vrij. Deze warmte straalt hoog in de atmosfeer makkelijker uit naar het heelal dan vanaf het aardoppervlak. Dit proces van verdamping en condensatie remt de opwarming dus af, en is er sprake van een negatieve terugkoppeling.

De optelsom van alle terugkoppelingen is positief. Met andere woorden, ten gevolge van alle bekende terugkoppelingen wordt het opwarmende effect van CO2 en andere broeikasgassen versterkt. Hoeveel precies is onzeker en dat leidt tot een grote spreiding in de klimaatgevoeligheid. Uit de ons bekende wetenschappelijke studies, inclusief die van het IPCC, blijkt dat het zeer onwaarschijnlijk is dat de klimaatgevoeligheid lager is dan 1,5 graden. Hoge waarden meer dan 6 graden zijn echter niet uit te sluiten. Genoemde studies samen laten zien dat de kans, dat de klimaatgevoeligheid wordt onderschat, eerder groter is dan dat die wordt overschat. Dit blijkt ondermeer uit een rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving over de laatste wetenschappelijke stand van zaken.
 
Crok’s boek erkent deze terugkoppelingen, maar trekt de positieve terugkoppelingen in twijfel, overigens zonder een heldere onderbouwing. Tegelijk benadrukt het boek het belang van de negatieve terugkoppelingen en noemt zelfs een klimaatgevoeligheid van slechts 0,5 graden, maar eveneens zonder een goede onderbouwing.
 
Aerosolen (stofdeeltjes) houden het zonlicht tegen en hebben een afkoelende werking en maskeren daarmee het opwarmende effect van de broeikasgassen. De mate waarin is onzeker – maar sommige critici betogen dat die koelende werking veel kleiner is dan IPCC aangeeft. Als die maskering zou ontbreken zou het opwarmende effect van de broeikasgassen dus kleiner zijn. Dit zou betekenen dat er geen hoge klimaatgevoeligheid nodig is om de gemeten wereldwijde opwarming van 0,8 graden te verklaren. Crok baseert zijn conclusie op slechts enkele studies waarvan er één wijst op de opwarmende werking van roet (op zich correct). Maar hij negeert dat diezelfde studie het koelende effect van de andere componenten van de aerosolen naar boven bijstelde. Hierdoor is er volgens deze studie nauwelijks effect op het geschatte netto koelende effect door aerosolen, en dus ook niet op de geschatte klimaatgevoeligheid. Deze studie is hier naar onze mening dus onjuist geïnterpreteerd.
 
Meer CO2 leidt niet tot een evenredige opwarming – er is een wet van ‘verminderende meeropbrengsten’, die in de klimaatmodellen ook wordt meegenomen. Sommige critici stellen dat de atmosfeer verzadigd is met CO2, en dat meer CO2 niet tot extra opwarming leidt.
Crok vergelijkt het effect van meer CO2 met het schilderen van de ramen: ‘De eerste laag verf zal veel licht tegenhouden, de tweede laag minder en op een gegeven moment zal een extra laag verf nog nauwelijks extra licht tegenhouden. Er is dan een verzadigingspunt bereikt.’
Deze vergelijking klopt niet. Meer CO2 leidt altijd tot meer opwarming, en al wordt de extra opwarming wel relatief minder, nul wordt die niet. Dit illustreert de atmosfeer van Venus die voor 96% uit CO2 bestaat waardoor  het broeikaseffect zo’n 500 0C bedraagt.
 
Het IPCC stelt dat de waargenomen opwarming wereldwijd en op de continenten alleen goed te verklaren is door in de modellen het versterkte broeikaseffect mee te rekenen. Critici bestrijden dit door te wijzen op zwaktes in modellen.

De modellen simuleren bijvoorbeeld ‘hotspots’ bovenin de troposfeer. Dit zijn plekken waar het extra water, dat aan het aardoppervlak verdampt door hogere temperaturen, weer condenseert en zijn warmte afgeeft. Het zou boven in de troposfeer extra warm moeten worden. Maar dit fenomeen wordt niet ondersteund door onder andere satellietwaarnemingen sinds 1979. Overigens is de versterking van de opwarming hogerop in de atmosfeer een negatieve terugkoppeling, en verlaagt daarmee de klimaatgevoeligheid. Het ontbreken ervan in de meeste waarnemingen suggereert dus een hogere gevoeligheid dan de klimaatmodellen weergeven.

De vraag rijst of de metingen onvoldoende nauwkeurig zijn (zoals sommige wetenschappers stellen) of dat er een onvolkomenheid zit in de klimaatmodellen, of allebei. Het is belangrijk dat deze tegenspraak tussen modellen en waarnemingen wordt opgelost en daarom is dit ook een belangrijk aandachtsgebied in de klimaatwetenschap. Dat neemt overigens niet weg dat er nog steeds geen fysisch houdbare alternatieve verklaring te vinden is voor de opwarming van de aarde.


“Het IPCC heeft gefaald als kennisbasis voor klimaatbeleid”

Crok stelt dat er geen andere conclusie mogelijk is dan dat het IPCC proces ’gefaald’ heeft. Hoewel veel kritiek op het IPCC mogelijk is, zijn wij met de InterAcademy Council, die het IPCC proces in 2010 kritisch heeft geëvalueerd, van mening dat het IPCC de maatschappij goede diensten heeft bewezen, maar wel toe is aan stevige hervormingen.

De meest in het oog springende conclusie van het IPCC is dat het grootste deel van de opwarming van de aarde in de tweede helft van de twintigste eeuw zeer waarschijnlijk het gevolg is van de waargenomen toename van broeikasgassen. Critici stellen dat dit een ‘expert judgement’ is van een beperkte groep van ongeveer 50 deskundigen. De uitspraak van het IPCC is inderdaad een ‘expert judgement’, maar deze deskundigen hebben hun oordeel wel gebaseerd op tientallen jaren wetenschappelijk onderzoek, duizenden peer-reviewed publicaties. De formulering is bovendien door vele deskundigen gereviewed.

Dat alles is nog steeds geen reden om alle uitspraken van het IPCC klakkeloos over te nemen. Het PBL rapporteerde in juli 2010 dat het IPCC-rapport uit 2007 over de regionale gevolgen van klimaatverandering enkele alarmerende uitspraken bevat die niet goed hard te maken zijn.

De Nederlandse coördinatiegroep IPCC, die is samengesteld uit vertegenwoordigers van de departementen, is actief betrokken bij het proces het IPCC verder te verbeteren. Het PBL en KNMI nemen namens de coördinatiegroep deel aan internationale werkgroepen die de aanbevelingen van de eerder genoemde InterAcademy Council verder uitwerken. Die zijn onder andere gericht op:
  • meer openheid van het IPCC-bestuur en -communicatie, 
  • een transparanter selectie van auteurs, 
  • het duidelijker laten zien dat alle visies worden meegenomen onder andere door de belangrijkste ‘sceptische’ theorieën te behandelen in een ‘Questions and Answer’ format 
  • een betere behandeling van onzekerheden en 
  • een goede procedure om fouten te herstellen.
De inzet is dat deze verbeteringen nog in de huidige Vijfde Assesment periode worden ingevoerd. De nieuwe serie IPCC assessment rapporten verschijnt in 2013 en 2014.


Nabeschouwing

Selectief winkelen
Kenmerkend voor Croks aanpak is om de ondergrenzen van belangrijke factoren, die het IPCC met flinke onzekerheidsmarges weergeeft, er uit te lichten en benedenwaarts bij te stellen. Zo komt hij op een lage klimaatgevoeligheid en weinig koelende werking van aerosolen. Hij ziet deze lage waarden vervolgens als ‘correct’ en negeert het brede spectrum van de hogere waarden, of betitelt ze als ‘alarmistisch’. Het is een vorm van selectief winkelen, waarmee hij een beeld schept van een heel geringe temperatuurstijging door invloed van de broeikasgassen. Crok negeert de signalen die een andere kant opwijzen. Het IPCC, hoewel zeker niet onfeilbaar, geeft het spectrum evenwichtiger weer dan Crok. Daarnaast heeft hij in een aantal gevallen de wetenschappelijke literatuur naar onze mening onjuist of onvolledig geïnterpreteerd. We geven hier voorbeelden van in onze uitgebreide reactie:
Serieuze sceptici
In het begin van hoofdstuk 4 wordt een definitie gegeven van een ‘serieuze scepticus’ namelijk ‘…vooral diegenen die publiceren in wetenschappelijke literatuur’. Dit verplaatst de discussie naar de vraag wat precies ‘wetenschappelijke literatuur’ is. Los daarvan is het een definitie die een duidelijke eis stelt aan het werk van sceptici, die wij alleen maar kunnen ondersteunen.

Maar dan is het wel opmerkelijk dat het boek vervolgens zwaar leunt op publicaties en blogs van het Internet, die nauwelijks of in het geheel niet zijn gepubliceerd in de wetenschappelijke literatuur. Crok lijkt daardoor veel van zijn kritiek op de klimaatwetenschap te baseren op sceptici die volgens zijn eigen definitie niet ‘serieus’ genomen kunnen worden.

Tot slot – ‘tegendenken’
Ondanks al onze kritiek op Crok’s boek menen wij dat hij zich niet opstelt als de stereotype klimaatscepticus die ontkent dat de aarde opwarmt en dat het IPCC een boevenbende is. Hij zoekt naar zwaktes in de wetenschappelijke onderbouwing en naar zwaktes in het proces van het IPCC. Hij probeert met wetenschappelijke en zakelijke argumenten de gangbare opvattingen te ondergraven door ‘tegendenken’.

Crok winkelt daartoe selectief en slaat daarbij volgens ons de plank vaak mis. Maar hij signaleert ook zwakke plekken – zoals onvolkomenheden in de rapportage over de temperatuurmetingen en een verschil tussen modellen en waarnemingen over de ‘hotspots’.

Daarnaast delen wij tot op zekere hoogte zijn kritiek op het IPCC-proces. Ook onder de beste wetenschappers kunnen tunnelvisies en ‘group think’ voorkomen, en dan zijn buitenstaanders nodig om stevig aan hun conclusies te rammelen. Verder moet het proces, waarlangs de wetenschappelijke bevindingen tot stand komen, kritisch worden bekeken, niet alleen door wetenschappers zelf. Zeker als het over klimaat gaat, want het klimaatbeleid baseert zijn legitimatie op de wetenschap en de gevolgen van klimaatbeleid raken uiteindelijk iedere burger.

Daarmee is het klimaatdebat niet langer het exclusieve domein van de wetenschappelijke tijdschriften, maar ook van het publiek en van wetenschapsjournalisten.
 
 
Portaal Login