|
|
Klopt de 'Hockeystick' ?
Er is veel commotie geweest over de reconstructie van de gemiddelde temperatuur van het Noordelijk Halfrond in de samenvatting van het derde IPCC rapport (2001), die door zijn vorm ook wel hockeystick wordt genoemd. Deze kritiek heeft geleid tot nieuw onderzoek, zowel op het gebied van reconstructie methoden als op het gebied van de gebruikte basisgegevens (proxies), zoals boomringen, schriftelijke bronnen, koralen en ijskernen. Ook zijn sinds 2001 reconstructies gemaakt op basis van onafhankelijke gegevens, zoals gletsjerlengtes en oceaansedimentkernen. De vorm van het temperatuurverloop sinds het jaar 1000 wordt in grote lijnen bevestigd door deze nieuwe studies. Wel zijn de onzekerheidmarges in het laatste IPCC rapport uit 2007 groter dan eerder was aangegeven, vooral voor de periode vóór 1500 AD. Dit wordt veroorzaakt door inherente beperkingen van de proxies en van de gebruikte statistische technieken.
Wat is de hockeystick?
In het derde IPCC rapport (2001) werd een klein aantal reconstructies besproken van de gemiddelde temperatuur op het Noordelijk Halfrond tijdens de afgelopen 600 tot 1000 jaar (Jones et al., 1998; Mann et al., 1999; Briffa, 2000). Een van deze reconstructies (Mann et al., 1999) werd opgenomen in de Samenvatting voor Beleidsmakers (Summary for Policy Makers, SPM) van het IPCC. Deze grafiek van Mann et al. (hierna MBH99) wordt vanwege zijn vorm ook wel de ‘hockeystick’ genoemd: vanaf het jaar 1000 AD neemt de temperatuur geleidelijk af (de steel van de hockeystick) om vervolgens vanaf ongeveer 1900 AD sterk te stijgen (het blad). Hoewel de andere in het rapport opgenomen reconstructies dezelfde vorm hebben, wordt de naam hockeystick uitsluitend gebruikt voor de in de Samenvatting opgenomen grafiek. De hockeystick werd na het verschijnen van het derde IPCC rapport een veelgebruikt beeldmerk in het klimaatdebat.
Recent verscheen een nieuwe studie van Mann et al. (2008), waarin zij meer dan duizend lokale proxy reeksen onderzoeken. De hoofdconclusie is dat het sinds 1990 gemiddeld warmer is geweest dan ooit tevoren in de afgelopen periode van ruim een millennium. Niets nieuws dus, maar wel beter onderbouwd dan eerder door het gebruik van meer lokale proxy reeksen en verschillende statistische methoden. Ook laten de auteurs zien dat hun eindresultaat niet erg gevoelig is voor het gebruik van bepaalde datagroepen, zoals boomringen.
Figuur 1: Het temperatuurverloop vanaf 1000 AD (40-jaar lopend gemiddelde, afwijkingen t.o.v. de gemiddelde temperatuur in de periode 1961-1990) volgens Jones et al.1998; Mann et al., 1999; Briffa, 2000. De gemiddelde jaartemperatuur van het Noordelijk Halfrond uit de instrumentele metingen is ook aangegeven. Het grijze gebied geeft onzekerheidsmarges aan voor de MBH99 reeks.
Bron: IPCC, 2001.
Figuur 2: Het temperatuurverloop volgens de hockeystick van MBH99, nu met jaarlijkse waarden (blauw) en het 40-jaar lopend gemiddelde (zwarte lijn). Ook de instrumentele jaarlijkse waarden zijn aangegeven (rood).
Bron: IPCC, SPM, 2001
Hoe worden temperatuurreconstructies gemaakt?
Reconstructies van het temperatuurverloop in het afgelopen millennium zijn gebaseerd op zogenaamde ‘proxy’ data: indirecte indicatoren van klimaatvariaties. Dit zijn bijvoorbeeld boomringen, schriftelijke bronnen, koralen en ijskernen. De reconstructies uit het derde IPCC rapport gebruiken alleen reeksen met een jaarlijkse resolutie, dat wil zeggen met een jaarlijkse tijdstap. Van elk punt in de reeks is bovendien bekend uit welk jaar de proxymeting afkomstig is. We noemen dat een absolute datering. Sommige latere studies gebruiken ook reeksen met een tijdstap van enige tientallen tot honderden jaren. Voorbeelden zijn sedimentkernen uit de oceaan of metingen in boorgaten. Deze zijn minder nauwkeurig gedateerd. Een nadeel van dergelijke proxyreeksen met een lage resolutie is dat ze moeilijker te ijken (kalibreren) zijn dan reeksen met een jaarlijkse resolutie. Dit komt door het kleinere aantal punten in de periode, waarin ook directe temperatuurmetingen zijn gedaan. Het voordeel van deze reeksen is echter dat het onafhankelijke data zijn.
Er zijn inmiddels een tiental reconstructies, die een paar honderd tot tweeduizend jaar teruggaan in de tijd (Jones et al., 1998; Mann et al., 1999; Briffa, 2000; Briffa et al., 2001; Crowley and Lowery, 2000; Esper et al., 2002; Mann and Jones, 2003; Moberg et al., 2005; Hegerl, 2007; Mann et al., 1998; Huang et al., 2000; Oerlemans, 2005), zie figuur 3. De studies verschillen zowel in de gebruikte reconstructiemethode als in de gebruikte verzameling van proxydata. We gaan hier eerst in op de verschillende statistische technieken om de gemiddelde temperatuur van het Noordelijk Halfrond te reconstrueren uit lokale reeksen. Daarna wordt de selectie van de lokale reeksen door de verschillende auteurs besproken.
Figuur 3: Het temperatuurverloop vanaf 1000 AD (21-jaar lopend gemiddelde, afwijkingen t.o.v. de gemiddelde temperatuur in de periode 1900-1960) volgens Jones et al., 1998 (JBB1998), Mann et al., 1999 (MBH1999), Huang et al., 2000 (HPS2000), Crowley and Lowery, 2000 (CL2000), Briffa et al., 2001 (BOS2001), Esper et al., 2002 (ECS2002), Mann, 2003 (MJ2003), Moberg er al., 2005 (MSH2005), Oerlemans, 2005 (OER2005) en Hegerl et al., 2007 (HCA2006). De gemeten temperatuur is ook aangegeven (NH Temp, rood gestreept).
Bron: Juckes et al, 2007.
De statistische technieken
De simpelste methode gaat uit van het middelen van de lokale reeksen. De eerste stap is het standaardiseren van de individuele reeksen, dat wil zeggen dat ze elk een gemiddelde van nul en een standaardafwijking van één krijgen. Daarna wordt het Noordelijk Halfrond gemiddelde bepaald. Door de standaardisatie wegen alle reeksen even zwaar mee in het gemiddelde. Dit gemiddelde wordt vervolgens voorzien van een schaalverdeling (gekalibreerd) door vergelijking met de Noordelijk Halfrond gemiddelde temperaturen, verkregen uit directe metingen in een bepaalde periode. Meestal wordt de periode van overlap met directe metingen in tweeën gesplitst. Een periode wordt dan gebruikt voor de kalibratie en de resterende periode om de gevonden schaalverdeling te toetsen. Als de toets goed uitvalt, dan gaat men ervan uit dat dit verband ook geldt voor de periode waarvoor geen metingen beschikbaar zijn. Deze middelingsmethode wordt in de meeste studies toegepast (Jones et al., 1998; Briffa, 2000; Briffa et al., 2001; Crowley and Lowery, 2000; Mann and Jones, 2003). Enkele recente studies maken gebruik van geavanceerde varianten op deze methode, die zouden leiden tot een betere representatie van langzame temperatuurvariaties (Moberg et al., 2005; Hegerl, 2007).
Een ingewikkelder methode ontbindt de in het verleden opgetreden klimaatvariaties in een aantal ruimtelijke patronen, zowel voor de proxy reeksen als voor de instrumentele metingen. De statistische techniek, waarmee de ruimtelijke patronen bepaald worden, heet Principal Component Analysis (PCA). Ook bij deze techniek worden de lokale reeksen gestandaardiseerd. Het voordeel van deze methode is dat gaten in de ruimtelijke bedekking van de proxydata opgevuld worden en dat gebruik gemaakt kan worden van niet-lokale verbanden tussen proxyreeksen en temperatuur. Een nadeel is dat de methode minder transparant is. Ook hier wordt de schaalverdeling verkregen door gereconstrueerde en gemeten data naast elkaar te leggen en de gevonden relatie te toetsen op statistische significantie. Deze methode wordt toegepast door Mann et al. (1998; hierna MBH98). Als eersten reconstrueerden zij daarmee niet alleen de gemiddelde Noordelijk Halfrond temperatuur, maar ook de ruimtelijke verdeling van temperatuurvariaties. Het laatste is alleen mogelijk voor de afgelopen zeshonderd jaar, waarvoor relatief veel lokale reeksen beschikbaar zijn. Voor de afgelopen duizend jaar levert deze methode slechts een reconstructie van de gemiddelde temperatuur op (Mann et al., 1999).
De dataselectie
Temperatuur reconstructies verschillen niet alleen in methode, maar ook in gebruikte gegevens. Sommige reconstructies gebruiken alleen boomringen (Briffa, 2000; Briffa et al., 2001; Esper et al., 2002), terwijl de meesten een combinatie van verschillende soorten proxygegevens gebruiken. De studies, die alleen reeksen met jaarlijkse resolutie gebruiken, zijn echter voor een deel gebaseerd op dezelfde lokale proxygegevens. De reden hiervoor is dat er hooguit enige tientallen van dergelijke lange reeksen zijn. De studies, die ook of vooral reeksen met lagere resolutie gebruiken, voegen daarom wezenlijke informatie toe (Crowley and Lowery, 2000; Moberg et al., 2005). Daarnaast zijn er kortere reconstructies, die gebaseerd zijn op volledig onafhankelijke data (boorgaten, gletsjerlengtes). Deze geven een aanvullend beeld van de temperatuur sinds de Kleine IJstijd (Huang et al., 2000; Oerlemans, 2005). De diverse reconstructies laten een vergelijkbaar temperatuurverloop zien tijdens het afgelopen millennium: een langdurende, geleidelijke afkoeling, gevolgd door een snelle opwarming.
Kritiek op de hockeystick
De hockeystick heeft aanleiding gegeven tot heftige debatten op internet, in de media en in de wetenschappelijke literatuur. Het debat is aangezwengeld door de Canadese criticus McIntyre (zie zijn weblog). Volgens hem was het onmogelijk te reproduceren wat Mann et al. precies gedaan hadden, doordat Mann et al. de gebruikte data en programmatuur niet goed hadden gearchiveerd en niet behulpzaam zouden zijn geweest in het verstrekken van de juiste informatie. Mann et al. zouden bovendien fouten gemaakt hebben in zowel de reconstructiemethode als in de dataselectie, die het eindresultaat sterk beïnvloeden (McIntyre and McKitrick, 2003). Uiteindelijk is er toch een herberekening uitgevoerd op basis van de proxygegevens van MBH98. Volgens deze herberekening zou de gemiddelde temperatuur van het Noordelijk Halfrond tussen 1400 en 1600 hoger uitvallen dan de hockeystick laat zien (figuur 4). Deze ‘gecorrigeerde’ grafiek kreeg grote bekendheid. We bespreken hieronder de punten van kritiek op de hockeystick.
Figuur 4: Het temperatuurverloop vanaf 1400 AD volgens MBH98 en een door McIntyre en McKitrick gecorrigeerde versie (20-jaar lopend gemiddelde, afwijkingen t.o.v. de gemiddelde temperatuur in de periode 1902-1980).
Bron: McIntyre and McKintrick, 2003.
1. Kritiek op de reconstructiemethode
Volgens McIntyre en McKitrick (2005) zou de vorm van de hockeystick een artefact zijn van de door MBH98 gebruikte statistische methode, omdat zij de standaardisatie op een ongebruikelijke manier uitvoeren (namelijk voor de deelperiode 1902-1980 in plaats van de gehele reconstructie periode 1400-1980). Hierdoor heeft het eerste ruimtelijk patroon een tijdreeks met een uitgesproken hockeystick vorm (figuur 5). Latere studies hebben echter laten zien dat de reconstructie zelf nauwelijks gevoelig is voor de keuze van de standaardisatieperiode. Dit geldt zowel voor reconstructies die gebaseerd zijn op zogenaamde ‘synthetische’ reeksen die door een klimaatmodel gegenereerd zijn (Von Storch and Zorita, 2005), als voor reconstructies op basis van echte proxyreeksen (Jukes et al., 2006; Wahl and Ammann, 2007). De reden hiervoor is dat een reconstructie opgebouwd is uit de tijdreeksen van meerdere ruimtelijke patronen, waarbij de hockeystick blijkt voort te komen uit het eerste patroon (standaardisatie voor deelperiode) of uit bijdragen van alle patronen (hele periode). Dit resultaat is achteraf gezien niet verrassend, als men bedenkt dat ook de op de middelingsmethode gebaseerde reconstructies een hockeystickvorm vertonen.
Figuur 5: De tijdreeks van het eerste ruimtelijke patroon (principal component) van boomringen uit de zuidelijke Verenigde Staten. De grafiek boven geeft het resultaat na standaardisatie voor de periode 1902-1980, de grafiek onder dat na standaardisatie over de hele periode.
Bron: McIntyre and McKitrick, 2005.
2. Kritiek op de dataselectie
Een tweede punt van kritiek betreft het gebruik van bepaalde proxy reeksen door Mann et al. Het betreft ringdiktes van naaldbomen uit het Zuidwesten van de Verenigde Staten, de zogeheten Bristlecone pines (McIntyre and McKitrick, 2005; McIntyre and McKitrick, 2005b). Deze in droge gebieden op grote hoogte levende bomen vertonen een sterke groei in de 20ste eeuw, die waarschijnlijk niets met het klimaat te maken heeft. Mogelijk is deze groeispurt gerelateerd aan de toegenomen CO2 concentratie in de atmosfeer, maar zeker is dit niet. Mann et al. passen hiervoor een adhoc correctie toe (MBH99). Sommige onderzoekers wijzen het gebruik van deze specifieke boomringreeksen af, terwijl anderen stellen dat deze data zinvolle informatie bevat over preïndustriële klimaatfluctuaties.
3. Maakt het uit voor het eindresultaat?
Er is dus kritiek op de keuzes die gemaakt worden in de methode en bij de data selectie. Vooral in de PCA methode worden nogal wat subjectieve keuzes gemaakt (Burger et al., 2006). Veel onderzoekers verkiezen daarom de simpelere middelingsmethode. Een belangrijke vraag is natuurlijk, hoezeer dit soort keuzes het eindresultaat beïnvloeden. Dit wordt aan de hand van enkele voorbeelden geïllustreerd in figuur 6. Het al dan niet toepassen van een correctie op de Amerikaanse boomring reeksen (de donkergele versus paarse lijn in de figuur) beïnvloedt de grootte van klimaatvariaties. De gekozen standaardisatie periode in de PCA methode (de paarse versus felgele lijn) is duidelijk minder belangrijk voor het eindresultaat. Het aantal lokale reeksen dat meegenomen wordt (de felgele versus zwarte lijn in het tijdvak na 1500 AD) speelt een grote rol voor de uiteindelijke reconstructie van het temperatuurverloop. De middelingsmethode (groene versus zwarte lijn) lijkt meer robuust in dit opzicht dan de PCA methode (felgele versus zwarte lijn), die weegfactoren toekent aan de lokale reeksen. Geen van deze keuzes beïnvloedt echter de basale hockeystick vorm (Juckes et al., 2006).
Figuur 6: Het temperatuurverloop vanaf 1000 AD, op basis van een klein aantal lokale duizendjarige reeksen uit MBH99, waarbij de reconstructie methode op details verschilt. Voor de donkergele doorgetrokken lijn (1) zijn alle reeksen gebruikt, waarbij sommige boomringreeksen een correctie voor de 20ste eeuwse groeispurt bevatten en de standaardisatie MBH99 volgt. De felblauwe gestippelde lijn (2) mist een Franse boomring reeks. Voor de paarse doorgetrokken lijn (3) is de boomringcorrectie niet gebruikt. De felgele gestippelde lijn (4) is gebaseerd op de gebruikelijke standaardisatie voor de hele periode. Voor de groene doorgetrokken lijn (5) is de middelingsmethode gebruikt, met dezelfde lokale reeksen als voor (4). De gepubliceerde reconstructie van MBH99 (zwarte lijn) gebruikt meer lokale reeksen voor de periode na 1500 AD en verschilt daardoor van de gele lijn (1) in dit tijdvak.
Bron: Juckes et al., 2007.
4. Twijfel over de significantie van temperatuur reconstructies
Belangrijk is ook de vraag naar de statistische significantie van gereconstrueerde temperatuurvariaties. Proxydata kunnen immers veel ‘ruis’ bevatten, die niet gerelateerd is aan het klimaat. Er bestaan verschillende maten om de nauwkeurigheid van een reconstructie uit te drukken en statistische onzekerheidsmarges af te leiden, die allen gebaseerd zijn op de mate van overeenstemming tussen de gereconstrueerde en gemeten temperatuur in een bepaald tijdsinterval. Bovenop deze statistische onzekerheid, moet men rekening houden met beperkingen van de data zelf, zoals een mogelijke slechte representatie van lange tijdschalen (Esper et al., 2002; Moberg, 2005; Von Storch et al., 2004) of veranderingen in de relatie tussen proxygrootheid en klimaat. Zo geven enkele proxies aan, dat de temperatuur op het Noordelijk Halfrond na 1950 een dalende trend vertoont, terwijl volgens metingen duidelijk sprake is van een stijgende trend (Briffa, 2000). Dit wordt het divergentieprobleem genoemd, waarvan de oorzaak vooralsnog niet duidelijk is. Jaarlijkse fluctuaties van (eerdergenoemde) boomringen komen echter wel overeen met directe temperatuurmetingen. Ook de beperkte geografische spreiding van de proxy data en het gebruik van te weinig reeksen leidt tot fouten in reconstructies van de gemiddelde Noordelijk Halfrond temperatuur.
5. Tenslotte
De in 2003 gepubliceerde correctie (McIntyre and McKintrick, 2003) op MBH98 wijkt vooral af in de periode vóór 1600 AD, zie figuur 4. De verschillen lijken verklaard te kunnen worden door het weglaten van de Amerikaanse boomringen, waardoor de reconstructie echter niet meer statistisch significant is voor het genoemde tijdvak (Wahl and Ammann, 2007). De grafiek kan daarom beter worden geïnterpreteerd als een gedachte-experiment (“wat gebeurt er als…”) dan als een echte temperatuurreconstructie.
De controverse rond de hockeystick was aanleiding voor de Amerikaanse Academie van Wetenschappen om een diepgaande studie te wijden aan het onderwerp. Het in 2006 gepubliceerde rapport (NRC Committee, 2006) benadrukt het belang van dergelijke temperatuurreconstructies voor het onderzoek naar mogelijke toekomstige klimaatveranderingen, maar maant tot terughoudendheid gezien de grote onzekerheid in het gevonden temperatuurverloop. Inmiddels zijn veel data op internet te vinden in open databanken zoals het World Data Center for Paleoclimatology (zie website NOAA) en op de websites van onderzoeksinstituten of van wetenschappelijke tijdschriften. Sommige onderzoekers (waaronder Mann) stellen ook hun programmatuur ter beschikking, terwijl anderen dit als hun intellectueel eigendom beschouwen en zich beperken tot de documentatie van hun werk. De discussie over de waarde van de verschillende proxy-indicatoren en de onzekerheid in temperatuurreconstructies werd al langere tijd gevoerd onder klimaatonderzoekers (Jones, 1998; Hegerl, 1998; Briffa and Osborn, 1999) en is nog niet beslecht.
De hockeystick en het vierde IPCC rapport
In het vierde IPCC rapport (2007) wordt gesteld, dat de hierboven besproken temperatuurreconstructies het ongewone karakter van de recente opwarming bevestigen. Verschillende studies wijzen op grotere temperatuurvariaties dan eerder werd aangenomen. Het gaat vooral om een sterkere afkoeling tijdens de twaalfde tot de veertiende, de zeventiende en de negentiende eeuw, terwijl warme perioden binnen de eerder aangegeven onzekerheidsmarges liggen. Gemiddelde temperaturen op het Noordelijk Halfrond gedurende de tweede helft van de 20ste eeuw waren zeer waarschijnlijk hoger dan in enige andere 50-jarige periode in de laatste 500 jaar en waarschijnlijk de hoogste in tenminste de afgelopen 1300 jaar, zie figuur 7. De onzekerheid in de gereconstrueerde temperatuur neemt toe, naarmate men verder teruggaat in de tijd, omdat er voor de oudere periodes minder reeksen beschikbaar zijn.
Figuur 7: De bovenste grafiek geeft het temperatuurverloop vanaf 700 AD (30-jaar lopend gemiddelde, afwijkingen t.o.v. de gemiddelde temperatuur in de periode 1961-1990) volgens Jones et al., 1998; Mann et al., 1999; Briffa,2000; Briffa et al., 2001; Esper et al., 2002; Mann and Jones, 2003; Moberg et al., 2005 (vergelijk figuur 3) en volgens Rutherford et al., 2003 (RMO2005), Pollack and Smerdon, 2004 (PS2004) en D’Arrigo et al., 2006 (DWJ2006). De gemeten temperatuur is ook aangegeven (HadCRUT2v). De onderste grafiek geeft de mate waarin de verschillende gepubliceerde onzekerheidsmarges met elkaar samenvallen: een score van 100% betekent dat de temperatuur ligt binnen plus/minus een standaarddeviatie van alle getoonde reconstructies.
Bron: IPCC, 2007.
In de samenvatting van het vorige IPCC rapport (2001) werd nog gesteld dat het waarschijnlijk is dat de negentiger jaren van de vorige eeuw op het Noordelijk Halfrond de warmste waren van het afgelopen millennium. Het nieuwe rapport bevestigt deze eerdere conclusie, hoewel de formulering iets anders is. De statistische onzekerheden geven slechts een ondergrens, omdat beperkingen die inherent zijn aan de gebruikte data en aan de statistische technieken nu eenmaal niet eenvoudig te kwantificeren zijn. Daarom wordt er in dit nieuwe rapport met ruime (indicatieve) onzekerheidsmarges gewerkt.
Het gegeven dat de recente opwarming ongewoon is, zegt niets over de oorzaken van deze opwarming; is het de menselijke invloed op het klimaat of moeten we denken aan natuurlijke oorzaken? Grootschalige temperatuurvariaties hebben soms te maken met interne processen zoals El Niño – Southern Oscillation (ENSO), maar meestal hangen ze samen met variaties in stralingsforcering. Deze variaties zijn gerelateerd aan vulkaanuitbarstingen, zonneactiviteit en veranderingen in de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer. Voor deze forceringen bestaan ook reconstructies op basis van proxy data (Crowley, 2000). Uit statistische analyses en modelsimulaties blijkt dat al deze forceringen een rol spelen (Hegerl et al., 2007; Crowley, 2000; Hegerl et al., 2003; Weber, 2005). In de terminologie van het IPCC (2007): “het is zeer waarschijnlijk dat gereconstrueerde temperatuurvariaties in de afgelopen 700 jaar in belangrijke mate toegeschreven kunnen worden aan vulkaanuitbarstingen en variaties in de zonne-intensiteit, en het is waarschijnlijk dat menselijke effecten bijgedragen hebben aan de opwarming in de vroege 20ste eeuw in deze temperatuurreconstructies.”
Hoe belangrijk is de hockeystick voor de menselijke invloed op het klimaat?
In de media is de hockeystick gaan fungeren als een beeldmerk van klimaatverandering. De suggestie dat de vermeende onjuistheid van de hockeystick de pijler onder het bewijs van de opwarming zou wegslaan en daarmee de pijler onder de onderbouwing van het Kyoto Protocol, is onjuist. Temperatuurreconstructies met behulp van proxydata vormen slechts een kleine bijdrage aan de onderbouwing van de hoofdconclusie van het IPCC dat de mens zeer waarschijnlijk verantwoordelijk is voor het grootste deel van de recente wereldwijde opwarming. Reconstructies met behulp van proxydata zijn onzeker en ze eindigen vaak rond 1980, dus vóór de uitgesproken opwarming rond de laatste eeuwwisseling. De hoofdconclusie van het IPCC wordt vooral getrokken op basis van wetenschappelijk inzicht. Dit inzicht komt voort uit kennis op het gebied van de werking van de atmosfeer, de invloed van de mens op de hoeveelheid broeikasgassen in de atmosfeer en de veel nauwkeuriger instrumentele metingen sinds 1856 AD.
Laatste update: 09 september 2008
Briffa, K. R., Osborn, T. J., Schweingruber, F. H., Harris, I. C., Jones, P. D., Shiyatov, S. G., and Vaganov, E. A., Low-frequency temperature variations from a northern tree ring density network, J. Geophys. Res., 106(D3), pp. 2929-2941, doi:2000JD900617, 2001.
Burger, G., Fast, I., and Cubasch, U., Climate reconstruction by regression: 32 variations on a theme, Tellus A, 58(2), pp. 227-235, 2006.
D'Arrigo, R., Wilson, R., and Jacoby, G., On the long-term context for late twentieth century warming, J. Geophys. Res., 111(D3), doi:10.1029/2005JD006352, 2006.
Esper, J., Cook, E.R., and Schweingruber, F.H., Low-frequency signals in long
tree-ring chronologies for reconstructing past temperature variability, Science, 295, pp. 2250-2253, 2002.
Hegerl, G., Crowley, T., Allen, M., Hyde, W., Pollack, H., Smerdon, J., and Zorita, E., Detection of human influence on a new, validated, 1500-year temperature reconstruction, J. Climate, 20, pp. 650-666, 2007.
Hegerl, G.C., Crowley, T.J., Baum, S.K., Kim, K.-Y., and Hyde, W.T., Detection of volcanic, solar and greenhouse gas signals in paleo-reconstructions of Northern Hemisphere temperature, Geophys. Res. Letters, 30, pp. 1242-1246, 2003.
Huang, S., Pollack, H. N., and Shen, P. Y., Temperature trends over the past five centuries reconstructed from borehole temperatures, Nature, 403, pp. 756-758, 2000.
Jones, P.D., Briffa, K.R., Barnett, T.P., and Tett, S.F.B., High-resolution paleoclimatic records for the last millenium: interpretation, integration and comparison with General Circulation Model control-run temperatures, The Holocene, 8, pp. 455-471, 1998.
Juckes, M.N., Allen, M.R., Briffa, K.R., Esper, J., Hegerl, G.C., Moberg, A., Osborn, T.J. and Weber, S.L., Millennial temperature reconstruction intercomparison and evaluation, Climate of the Past, 3, pp. 591-609, 2007.
Mann, M.E., Bradley, R.S., and Hughes, M.K., Global-scale temperature patterns and climate forcing over the past six centuries, Nature, 392, pp. 779-787, 1998.
Mann, M.E., Bradley, R.S., and Hughes, M.K., Northern Hemisphere temperatures during the past millenium: inferences, uncertainties and limitations, Geophys. Res. Lett., 26, pp. 759-762, 1999.
Mann, M.E., Z. Zhang, M.K. Hughes, R.S. Bradley, S.K. Miller, S. Rutherford en F. Ni, Proxy-based reconstructions of hemispheric and global surface temperature variations over the past two millennia, PNAS, 105, pp. 13252-13257, 2008.
McIntyre, S. and McKitrick, R., Hockey sticks, principal components, and spurious significance, Geophys. Res. Lett., 32, L03710, doi:10.1029/2004GL02, 2005.
Moberg, A., Sonechkin, D.M., Holmgren, K., Datsenko, N.M., and Karlen, W., Highly variable Northern Hemisphere temperatures reconstructed from low- and high- resolution data, Nature, 433, pp. 613-617, 2005.
Rutherford, S., Mann, M.E., Delworth, T.L., and Stouffer, R.J., Climate field reconstruction under stationary and non-stationary forcing. J. Clim., 16(3), pp. 462-479, 2003.
Von Storch, H., Zorita, E., Jones, J. M., Dimitriev, Y., Gonzalez-Rouco, F., and Tett, S. F. B., Reconstructing past climate from noisy data, Science, 306, pp. 679-682., 15 doi:10.1126/science.1096109, 2004.
Von Storch, H. and Zorita, E., Comment on Hockey sticks, principal components, and spurious significance: by S. McIntyre and R. McKitrick, Geophys. Res. Lett., 32, L20701, doi:10.1029/2005GL022753, 2005.
|