Zoek >>
   Home > Bespreking boek Marcel Crok > Hoofdstuk 4 > Opwarmend effect


Heeft 75% van het opwarmende effect van CO2 al plaatsgevonden?

Op pg. 108 schrijft Crok: “Richard Lindzen schat dat zo’n 75% van het opwarmende effect al heeft plaatsgevonden. Het effect van nog meer CO2 wordt namelijk steeds kleiner.” In de zin daarboven wordt dit gekoppeld aan het effect van een verdubbeling van CO2. Hier suggereert Crok dus dat 75% van de opwarming behorend bij een verdubbeling van de CO2-concentratie al is bereikt.

Dat de opwarming tot nu toe minder is dan de uiteindelijke opwarming behorend bij de huidige concentratie van CO2 (en andere broeikasgassen) is een bekend fenomeen (Gregory and Forster, 2008). Door de enorme warmtecapaciteit van de oceanen en de koelende werking van aerosolen wordt de temperatuurstijging vertraagd. Uit de inventarisatie van klimaatmodellen door Dufresne en Bony (2008) valt af te leiden dat de opwarming tot nu toe tussen de 50% en 80% bedraagt van de uiteindelijke opwarming behorend bij de huidige broeikasgasconcentratie. Maar bij een verdere toename van deze concentratie neemt de temperatuur nog verder toe. Crok lijkt hier dus het deel van de opwarming dat momenteel bereikt is bij een stabilisatie van de huidige CO2-concentratie te verwarren met de opwarming die nog gaat plaatsvinden als de CO2-concentratie nog verder toeneemt (een verdubbeling ten opzichte van het pre-industriële niveau in het betoog van Crok). 
   
Het effect van een zelfde hoeveelheid meer CO2 wordt steeds kleiner. Dit is eveneens een bekend fenomeen en is verdisconteerd in de berekeningen van de temperatuurstijging door de toename van de CO2 concentratie. Crok vergelijkt dit op p.108 en 109 met het beschilderen van een raam en suggereert hiermee dat het verzadigingspunt, namelijk dat extra CO2 geen enkel effect meer heeft, snel bereikt wordt.

Dit is een onjuiste analogie: de huidige concentratie CO2 is ver verwijderd van verzadiging en het is überhaupt de vraag of er een verzadigingspunt is. Dit heeft te maken met het feit dat de luchtdruk en daarmee het aantal CO2 moleculen afneemt met de hoogte. Er is dus altijd een hoogte aan te wijzen waarop er nog wel degelijk stralingseffecten zijn door de toename van CO2. Of dit het broeikaseffect verder versterkt, wordt bepaald door het temperatuurprofiel op die hoogte. In het bijzonder is van belang of deze hoogte van verzadiging boven of onder de tropopauze, de grens tussen de troposfeer en de daarboven liggende stratosfeer, is gelegen. Omdat ook de tropopauzehoogte (menghoogte van de atmosfeer) naar boven toe opschuift in aanwezigheid van meer broeikasgassen, is moeilijk te bepalen bij welke concentratie verzadiging optreedt. Maar zeker is dat deze veel hoger ligt dan de huidige concentratie in de atmosfeer.

Dit kan bijvoorbeeld worden geïllustreerd met de atmosfeer van Venus (Pierrehumbert, Physics today, 2011; Van Dorland, 2010). De atmosfeer van deze planeet bestaat voor 96% uit CO2 en dit veroorzaakt een broeikaseffect van ongeveer 500 graden. Op Aarde is dit ongeveer 33 graden. Dit suggereert dat de temperatuur op aarde nog flink kan doorstijgen bij een toename van broeikasgassen.

Voor de argumentatie van Lindzen waarop Crok zich lijkt te baseren, zie Lindzen (2007) en voor een kritische reactie daarop, zie SkepticalScience.

Portaal Login