|
|
Invloed mens op het klimaat
Rob van Dorland (KNMI)
De samenstelling van de atmosfeer is aanmerkelijk veranderd sinds het begin van de industriėle revolutie. De atmosferische concentraties van de meeste broeikasgassen hebben in de afgelopen tien jaar de hoogste waarde sinds het begin van de metingen bereikt. Bovendien zijn de aėrosolconcentraties in de atmosfeer gestegen.
Toename broeikasgassen
Voor de meeste broeikasgassen is er sprake van een steeds sneller verlopende toename sinds het begin van het industriėle tijdperk. Zowel de huidige concentraties als de snelheid van toename van de meeste broeikasgassen zijn zeer uitzonderlijk, ook in het geologische perspectief van 420.000 jaar.
De toename van de CO2 concentratie van 280 ppm (delen per miljoen delen lucht) vóór 1800, tot 380 ppm in 2006 wordt vooral veroorzaakt door de verbranding van fossiele brandstoffen. Andere menselijke activiteiten, zoals landbouw, veeteelt en gaswinning dragen bij tot de uitstoot van broeikasgassen zoals methaan (CH4) en lachgas (N2O), en via ingewikkelde chemische reacties tot de vorming van extra ozon (O3) nabij het aardoppervlak. De productie van drijfgassen voor het gebruik in spuitbussen en koelvloeistoffen in koelkasten heeft geleid tot onaanvaardbare concentraties van Chloorfluorkoolwaterstoffen (CFKs) in de atmosfeer. Deze gassen, die van nature niet in de atmosfeer voorkomen, tasten bovendien de ozonlaag in de stratosfeer aan. De verstoring van de stralingsbalans, de zogeheten stralingsforcering, door langlevende broeikasgassen, zoals CO2, is met een nauwkeurigheid van 10% bekend.
Aėrosolen
Menselijke activiteiten verhogen ook de aėrosolconcentraties in de atmosfeer. Aėrosolen is een verzamelnaam van niet-gasvormige componenten van verschillende grootte en chemische samenstelling. Aėrosolen worden direct uitgestoten, zoals roet, of gevormd uit gassen, zoals sulfaataėrosolen, die uit zwavelhoudende gassen ontstaan. Aėrosolen in de lagere atmosfeer (troposfeer) hebben een betrekkelijk korte verblijftijd en zijn daardoor zeer variabel in ruimte en tijd. Sinds 1996 zijn grote vorderingen gemaakt om stralingsmetingen van satellieten te interpreteren in termen van de hoeveelheden aėrosol, waardoor de kennis over aėrosolen sterk is toegenomen. Sinds de jaren tachtig neemt wereldgemiddeld gezien de hoeveelheid sulfaataėrosol af als gevolg van maatregelen met betrekking tot de zure-regen-problematiek. Veel andere aėrosolcomponenten laten stijgende concentraties zien.
Invloed aėrosolen
De invloed van aėrosolen op de stralingsforcering is complex. Er worden twee categorieėnaėrosolen onderscheiden: witte aėrosolen, zoals sulfaataėrosolen, die het zonlicht verstrooien en zo via reflectie van zonlicht een koelende werking (negatieve stralingsforcering) hebben en zwarte aėrosolen, zoals roet, die het zonlicht absorberen en daarmee een opwarmende werking hebben. Ze dragen daarmee direct bij aan de stralingsforcering. Daarnaast is het van belang of de aėrosolen een wateraantrekkende (hygroscopisch) of juist een waterafstotende werking hebben. Afhankelijk van deze eigenschap kunnen aėrosolen invloed hebben op de vorming van wolken en daarmee de stralingsforcering indirect beļnvloeden. Zo veroorzaken meer condensatiekernen in de atmosfeer kleinere wolkendruppeltjes. Het gevolg is dat de wolken witter worden, en omdat het langer duurt voordat de neerslag op gang komt, is de levensduur van de wolken ook langer. Deze effecten koelen het klimaat. Over de sterkte van het netto afkoelende effect van aėrosolen bestaat discussie. Er is echter een grote mate van overeenstemming dat aėrosolen het versterkte broeikaseffect in de afgelopen vijftig jaar slechts ten dele hebben gecompenseerd.

figuur: IPCC stralingsforcering
Meer lezen:
|